Deel 4: Vronen & De Strijd tegen het Water
Frisia als deel van het Hertogdom Neder-Lotharingen
Vanaf de 8e tot de 10e eeuw, ontstonden langs de kuststeek van de lage landen diverse nederzettingen op de ontgonnen strandwallen. De zandgronden van het huidige Sint Pancras en Oudorp waren goede plekken om tegen het opkomend water beschermd te zijn. De akkers lagen in langwerpige percelen op de kalkrijke geestgronden. Hier werd vooral haver en vlas verbouwd. In de lagere delen werd vee gehouden. De mest werd gebruikt om de vruchtbaarheid van de akkers te bevorderen. Soms liet de boerenbevolking de akkers een jaar braak liggen of ging men over tot bemesting met onkruid en bladeren.
Vronen was beslist niet een geïsoleerd eenvoudig dorpje. Men moet de boel goed op orde hebben gehad. Er was een kerk, men maakte een eigen rechtssysteem. Ze lieten elkaar zien dat ze helemaal geen graaf nodig hadden. Met platbodems werden producten en materialen van elders aangevoerd. De kerk was erg belangrijk in het sociale leven. Er was veel ellende, kindersterfte, ziekten, geweld, watersnood. De kerk bood troost.
Het systeem van die tijd was dat boeren de grond in bruikleen kregen van de graaf. Zij moesten 10% van hun “omzet” afdragen. In West-Friesland was men in de 11e eeuw daartoe niet genegen. Zij accepteerden niet meer het gezag van een graaf. Wanneer de West-Friese bevolking een of meerdere generaties lang zelfstandig opereerden, geen afdracht betaalden en de boel zelf gingen regelen, waanden zij zich ook eigenaar van de grond. In West-Friesland ontstonden tevens samenwerkingsverbanden om zich te beschermen tegen het water dat tijdens stormen steeds meer land wegsloeg. West-Friesland werd een eenheid en Vronen zelf werd een belangrijke nederzetting; het lag pal naast Kennemerland op een hogere zandrug. Voor de West-Friezen kwam het gevaar van aanvallen over zee of over land via Alkmaar.
De invloed van de strijd tegen het water
West-Frisia rond het jaar 1000
Onze regio rond het jaar 1250
Het bijzondere in de geschiedenis van dit gebied is dat de strijd tegen het water van grote betekenis is geweest. De bewoners van het moerasgebied West-Friesland werden gedwongen hun gebied tegen het opkomend water te beschermen. De afgegraven veengronden begonnen in te klinken. Aan de oostkant drong het water van de Zuiderzee steeds verder het land in en hetzelfde gebeurde bij hoog water aan de westkant: de Rekere, een stroom van het Oer-IJ voerde water af van zuid naar noord, richting de Zijpe en het zeegat tussen Camperduin en Petten. Maar met storm stroomde het zeewater van noord naar zuid. Om hun gebieden te beschermen verenigden de bewoners zich in zogenaamde “Koggen” of “Ambachten”. Er ontstonden in West-Friesland vier ambachten die dijken aanlegden. Rondom Vronen werd de Vronlegeestmerambachtsdijk aangelegd, welke in het zuidwesten direct aan Alkmaar grensde. Toen de dijken van de vier ambachten werden gekoppeld ontstond de West-Friese Omringdijk.
De dijken versterkten het onafhankelijkheidsgevoel van de bevolking. Zij beschouwden hun eigen Ambacht als hun rechtsgebied. De dorpen waren dus betrekkelijk zelfstandig, met een eigen kerk en eigen pastoor. De West-Friezen waren generaties lang gewend te leven zonder heer.
Toen de graaf in de loop van de 12e eeuw zijn gezag wilde laten gelden, staken de WestFriezen een keer in de zoveel jaar de ”Ossenvoorde” over. Dit was een doorwaarbare plaats in het stroomgebied van de Rekere; een route door het moerasgebied tussen de Vronergeest en de zandrug van Alkmaar, die ongeveer liep tot aan de huidige Paardenmarkt. Het moet haast wel overeenkomen met de wat later aangelegde kronkelende Munnikenweg.
Door een aantal zware stormen in 1170 en 1173 werd echter de Vliestroom steeds breder. Het hogere land Wieringen werd een eiland, Texel werd afgesneden van het vaste land en waar het bos van Kreil was ontstond de Zuiderzee. De West-Friezen moesten alle energie stoppen in het beschermen van hun grondgebied. Het huidige Noord-Holland werd bij elke storm een stuk kleiner.
Het veranderende landschap
De hoeven in Vronen stonden voornamelijk aan de westzijde van de geestgrond. Hier was het water van de Vronermeer. Visserij zal in Vronen ook beslist van belang zijn geweest. Aan de oostzijde was de grond minder geschikt, hoewel dat later anders bleek. Bij de nollen (duinheuvels) en de Oosterwal was de grond vruchtbaar in de dalen van die duinen.
Het farmaceutisch bedrijf VSM vestigde zich in de 20e eeuw op industrieterrein de Beverkoog, langs de oostrand van de geestgronden, net in het lagere gebied. Het smalle water werd uitgegraven en de vruchtbare grond werd gebruikt voor hun honderden kruidensoorten. Nu kennen we dit terrein als de Hortus Alkmaar. Een leuke bijzonderheid is dat je op dit terrein de enige echte beek van Alkmaar kunt zien. In de ongeveer twintig meter lange waterloop stroomt water vanaf de hogere geestgronden van Sint Pancras naar de Hortus Alkmaar. Zo moet het in de middeleeuwen ook zijn geweest. In deze fraaie medicinale kruidentuin is sinds het voorjaar van 2026 ook een Alchemistentuin aangelegd welke aan één zijde is afgeschermd door een zogenaamde Klin. Dit is de benaming van opgeworpen begroeide zandheuvels in Sint Pancras tegen het stuiven van het zand.
Het landschap veranderde voortdurend. Wil je de geschiedenis van een stad begrijpen, moet je het landschap rondom die stad begrijpen. Dat geldt vooral voor het landschap rondom Alkmaar.
Waar de Burchtsloot, de vaart vanaf de Vronermeer naar de Voormeer liep werd een overhaal gebouwd; machines op mensenkracht om boten over de dijk te trekken. Een tweede overhaal was ook noodzakelijk. Dit was de overhaal bij de reeds in de 13e eeuw genoemde Jan Boyes. Het was daar waar de vaart van de Vronermeer langs de Halve Maan naar het water van De Waert liep. Deze waterloop werd in 1624 verder uitgegraven als de nu bekende Hoornse Vaart, een directe trekvaart tussen Alkmaar en Hoorn. Het was ook bedoeld om het water van de in 1634 drooggelegde Heerhugowaard af te laten vloeien.
Omdat er verschillende waterniveaus bij elkaar kwamen was het noodzakelijk overhalen en sluizen te maken bij een belangrijk knooppunt van waterwegen vlak bij de stad. Deze kennen wij nu als de Zes Wielen. Die zes wielen zijn niet de zes molens die hier stonden. Het zijn de zes grote wielen van de drie overhalen. De boten werd over de dijk getrokken met behulp grote wielen, in de vorm van een rad, waarin men liep om het touw op te winden.
